Booming Amsterdam De aanleg van de grachten in de Gouden Eeuw. Tentoonstelling in het Stadsarchief Amsterdam, 15 februari – 26 mei 2013          

Aan tafel in Booming Amsterdam

Ranjith Jayasena werkt als archeoloog bij Bureau Monumenten & Archeologie Amsterdam.

‘In de hal van De Bazel hebben we bij Booming Amsterdam twee vitrines ingericht met tafelgoed uit Amsterdamse huishoudens rond 1613 en 1663. Alles wat er in die tijd bij een maaltijd op tafel stond. Je hebt het dan over aardewerk, steengoed en porselein. Maar ook over drinkglazen en bestek. Er waren veel soorten keramiek. Het gewone lokale roodgekleurde aardwerk, steengoed kannen uit Duitsland, wit geglazuurd aardwerk uit Portugal en exclusieve importen uit het Verre Oosten. Zo krijg je een goede indruk van het dagelijkse gebruiksgoed tijdens de Gouden Eeuw, de bloeiperiode van Amsterdam. Je ziet ook de internationale invloeden, wat er de stad binnenkwam. De wereld kwam op tafel en veranderde het aanzien van het huishouden.

Rond 1613 was Chinees porselein bijvoorbeeld nog heel bijzonder. Echt iets voor zeer rijke families. Je ziet dan men hier goedkopere imitaties gaat maken in wit geglazuurd aardewerk. In 1663 was porselein wijdverbreider. Imitaties ook, dan in Delfts aardewerk. Soms is het vrijwel één op één, je kan een porseleinen bord naast een Delfts blauw bord zetten en het lijkt als twee druppels water op elkaar. Dat is niet altijd een kwestie van geld. In afvalputten dicht bij de VOC-vestigingen in Amsterdam vinden we bijvoorbeeld meer porselein. Men zat daar letterlijk dichter bij de bron, kende iemand die er werkte, of werkte er zelf.

In het begin van de zeventiende eeuw werd er nog gegeten van tinnen borden en teljoren, dat zijn een soort platte houten borden. Aardewerk schotels waren voor het opdienen van het eten. Vijftig jaar later at iedereen van aardewerk borden. Zo zie je de cultuur veranderen.

Deze vondsten komen uit beerputten. Een beerput is de afvalput achter het huis. Het meeste wat we er vinden is bewust weggegooid. Er zal ook wel eens iets per ongeluk in gevallen zijn. Maar iets er weer uit vissen was geen aantrekkelijk idee. De bewoners plasten en poepten ook in die put.

Door schilderijen en boedelinventarissen weten we wat er bij een maaltijd op tafel stond en wat er allemaal in huis was. Vergelijking is leerzaam. Neem nu de boedelinventaris van Joseph Deutz, een schatrijke koopman die woonde op Herengracht 450. In de lijst van de 250 rijksten van de Gouden Eeuw staat hij op nummer 101. Zijn huis was een dubbel pand in de Gouden Bocht. Dat was speciaal voor hem ontworpen door architect Philips Vingboons. In zijn boedelbeschrijving uit 1685 worden een theepotje met goudbeslag genoemd, zilveren zoutvaten, porseleinen wijn- en bierkannen met zilveren deksels. Wij vinden het al bijzonder als we een tinnen deksel opgraven! Met dit soort materiaal werd zorgvuldig omgesprongen en bovendien vaak hergebruikt.

In het algemeen kan je zeggen dat in rijke huishoudens het huisraad sneller werd vervangen. Arme gezinnen deden veel langer met hun spullen. In ‘arme’ putten zie je dat mensen daar heel zuinig waren. Een bord dat vijftig jaar meeging was niet ongewoon. Zo’n bord zit vol krassen in het glazuur, gebruikssporen van messen. En van graapjes, dat zijn kookpotten op drie pootjes, zijn de pootjes vaak helemaal afgesleten. 

Op de tentoonstelling kun je ook gebruiksgoed uit de 17de eeuw zien, als je weet waar. Er is een interessante tekening van Cornelis Danckerts uit 1678 met de dwarsdoorsnede van een huis. Onderin het huis is de voorraadkelder. Er hangt een ham en er staan wijn- en biervaten. Op een plank staan grote voorraadflessen, twee drinkglazen en een bord met iets erop. En op de keldervloer staan een bordje en een graapje. Boven de kelder was de keuken, en daarboven de zondagse kamer. Wat daar stond heeft hij helaas niet getekend. Maar als je de vondsten in hal bekijkt kun je daar toch een goede voorstelling van maken.’

 

 

 

15 april 2013 | Filed under Interview.

Reacties zijn gesloten.